Kikkers

Dieren op ons park - De Egel - De Mol - Veenmol - Vlinders - Kikkers - Slakken - Vogels

In maart worden de meeste kikkers wakker uit hun winterslaap en komen ze te voorschijn uit hun schuilplaatsen waar ze zich kikker2gedurende de winter verstopt hadden. Zodra de avond valt, begeven de mannetjes zich naar hun voortplantingswateren om daar een groot kwaakconcert te beginnen. In maart en april zijn de kikkerkoren dan ook het luidst en soms wel tot op een kilometer afstand te horen.

Het gekwaak van de groene kikker, het kek-kek geluid van de boomkikker, het blub-blub-geluid van de heikikker en het zacht brommende geluid van de bruine kikker zijn bedoeld om vrouwtjes naar de voortplantingswateren te lokken.

Algemeen
Het kwaken van de boomkikkers begint omstreeks zonsondergang en kan doorgaan tot een uur voor zonsopgang. Groene kikkers kwaken de hele zomer lang en dan hoofdzakelijk 's avonds, maar ook wel overdag op warme zonnige dagen. Heikikkers hebben een zeer korte koorperiode die soms maar een week duurt. Dit in tegenstelling tot boomkikkers die vanaf half april tot half juni grote kwaakkoren vormen. Alleen de mannetjes kwaken. Vrouwtjes komen slechts voor korte tijd naar de voortplantingswateren. Na het paren en het afzetten van de eiklompjes (kikkerdril) verdwijnen ze weer naar het landleefgebied. De paring is een vermoeiend karwei bij kikkers en dan met name voor het vrouwtje. Ze draagt het mannetje soms wel enkele dagen op haar rug, waarbij hij haar stevig omklemt en pas loslaat als de eieren zijn bevrucht en afgezet. De eitjes veranderen geleidelijk aan in larven, ook wel dikkopjes of kikkervisjes genoemd, die op hun beurt weer veranderen in kleine kikkertjes.

De bruine kikker en de heikikker beginnen als eerste aan de voortplanting, meestal vanaf half maart en bij mooi weer soms nog wel eerder. Zo rond half april beginnen ook de boomkikker en de groene kikker hieraan. Van de bruine kikker zijn de dikkopjes al in april en mei te zien; dikkopjes van de hei- en boomkikker laten zich zien in mei en van half juli tot half augustus is het grootste aantal dikkopjes van de groene kikkers waar te nemen. Dikkopjes leven in het water en ademen door kieuwen. In ongeveer 10 weken tijd veranderen dikkopjes in kleine kikkertjes, die longen hebben ontwikkeld waardoor ze kunnen ademen. Als vanaf eind juni de eerste kikkertjes het land opkomen, zijn de volwassen dieren daar al een tijdje. Ze eten zich vol met alles wat maar beweegt, zoals slakken, insecten en regenwormen. Zo vullen ze hun dagen, totdat ze in oktober een overwinterplek zoeken. Dat is voor de boomkikker een hol in de grond, een boomholte, een hoop plantaardig afval zoals bladeren, plekken onder dood hout of stenen of een vorstvrije ruimte in oude muren of kelders. Ook de poelkikker overwintert op het land, in tegenstelling tot de meerkikker en de bruine kikker die overwinteren in de modderlaag van vijvers en sloten.

Groene kikkers
Groene kikkers kunnen in drie typen opgedeeld worden: de poelkikker (Rana lessonae), de middelste groene kikker (Rana klepton kikkeresculenta) en de meerkikker (Rana ridibunda). Zowel de poelkikker als de meerkikker zijn een aparte soort, terwijl de middelste groene kikker een kruisingsproduct is tussen beide. De middelste groene kikker is wèl vruchtbaar en kan met beide soorten terugkruisen. Groene kikkers zijn groen tot olijfachtig, maar soms ook bruin of grijs of zwartachtig van kleur. Ze verblijven steeds bij of in water en eten ook onder water met gebruikmaking van de voorpoten. De meerkikker komt voornamelijk voor ten noordwesten van de lijn Zeeland-Groningen, is vooral aan het leven in het water aangepast, overwintert ook onder water en verplaatst zich via het water. De poelkikker wordt ten zuidoosten van deze lijn gevonden en is meer aan een landleven aangepast. Deze kikker overwintert op het land en is landelijk gezien vrij zeldzaam. De poelkikker gaat in aantallen achteruit en wordt daarom als kwetsbaar aangemerkt. Daar waar meerkikkers of poelkikkers voorkomen, zullen vrijwel altijd ook middelste groene kikkers worden aangetroffen. De middelste groene kikker kan dan ook door heel Nederland worden gevonden.

Alle drie groene-kikkersoorten houden van zon en warmte en hebben daardoor een voorkeur voor onbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn en het water is vaak vrij omvangrijk of maakt deel uit van een complex aan wateren. De poelkikker heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heide gebieden op hogere zandgronden en in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in uiterwaarden.

Bruine kikkers
bruinekikkerDe bruine kikker (Rana temporaria) kan in geheel Nederland worden aangetroffen en is overal vrij algemeen. Aan zijn biotoop stelt hij dan ook nauwelijks eisen, alleen zeer droge gebieden en grootschalig akkerland worden gemeden. Ook het voortplantingswater hoeft niet aan veel eisen te voldoen. Vaak wordt wel de voorkeur gegeven aan ondiepe wateren of ondiepe delen van wateren, met watervegetatie waarop de eiklompen kunnen worden afgezet. Maar ook in de rietgordels van visrijke kanalen kunnen wel eiklompen worden aangetroffen. De bruine kikker is bruin, grijs, geel, lichtrood of steenrood van kleur, al of niet gevlekt, met op de ledematen meestal donkere dwarsbanden. In de voortplantingstijd krijgen de mannetjes donkere wratten op de duimen. Al in maart kunnen roepende mannetjes waargenomen worden. Ook eiklompen zijn dan al te vinden. Ze worden op warme, ondiepe plekken afgezet en drijven aan de oppervlakte. In april en mei zijn de dikkopjes te zien en vanaf eind juni kunnen de kleine kikkertjes soms massaal aan de oevers worden gevonden.

Heikikkers
De heikikker (Rana arvalis) komt in alle Nederlandse provincies voor, met uitzondering van Flevoland, vooral in de hoger gelegen heikikkerdelen van het land. Hij wordt aangetroffen in vochtige heidegebieden waar sprake is van veenvorming en in hoog- en laagveengebieden, maar ook wel in vochtige schraalgraslanden, duinvalleien, bosranden, langs meren en rivieren en in komkleigebieden. De heikikker is van de bruine kikker te onderscheiden door een grotere graafknobbel, een duidelijke rugstreep en een spitsere snuit. In de paartijd (maart-april) kunnen de mannetjes van de heikikker soms geheel blauw kleuren door veranderende hormoonspiegels waardoor er lucht onder de huid kan komen. Het geluid waarmee de heikikker kwaakt, lijkt op het blub-blub-geluid van een fles die onder water leegloopt. Van een wat grotere afstand lijkt dit op het geluid van een keffend hondje. Door verzuring van voortplantingswateren beschimmelen veel eiklompen van de heikikker. De heikikker wordt als kwetsbaar aangemerkt.

Boomkikkers
De boomkikker (Hyla arborea) is een kleine kikker (tot 4,5 cm.) met zuignapjes aan het einde van vingers en tenen. Hiermee is hij in staat om over gladde en steile oppervlakten te lopen en behendig in planten te klimmen. De bovenzijde van de kikker is egaal grasgroen en soms geelgroen of olijfgroen. De huid is helemaal glad. Vooral in de paartijd zijn mannetjes te herkennen aan een boomkikkerdonker gekleurde kwaakblaas. De voortplanting vindt plaats in het water, waar vanaf maart tot begin juni enkele kleine eiklompjes ter grootte van een walnoot worden afgezet. Boomkikkers worden gemiddeld 5 jaar oud. De boomkikker stelt hoge eisen aan de voortplantingswateren, die voedselarm of matig voedselrijk en ondiep moeten zijn en een groot oppervlak moeten hebben. Ze moeten direct door de zon worden beschenen, zodat er een optimale situatie is voor een snelle ontwikkeling van eitjes en dikkopjes. Er mag zich bovendien geen vis in het water bevinden. Als jonge boomkikkers vanaf juli het water verlaten, hebben ze een lengte van 18 tot 21 mm. Boomkikkers brengen vanaf het vroege voorjaar tot in de late herfst minimaal 90 % van de tijd op het land door. Van belang is daarbij dat ze op het land voldoende voedsel kunnen vinden en dat er voldoende mogelijkheden zijn voor een goede temperatuur- en vochtregulatie. De boomkikker wil graag veel zon, een hoge grondwaterstand en een relatief hoge luchtvochtigheid. De aanwezigheid van planten met grote bladeren, die voldoende stevigheid bieden om zonnende boomkikkers te dragen, is eveneens noodzakelijk. Net als veel bloem- en vruchtrijke planten die de aanwezigheid van insecten garanderen.

Maatregelen
Kikkers en andere amfibieën stellen hoge eisen aan de kwaliteit van water en land. Gelukkig nemen overheid en natuurbeschermingsorganisaties in toenemende mate maatregelen om gebieden zodanig in te richten dat deze dieren hier goed kunnen gedijen. Op een groot aantal plaatsen in Nederland is voldoende geschikt landbiotoop aanwezig, maar ontbreken geschikte voortplantingswateren. Alleen al door het aanleggen van poelen kan een gebied soms al geschikt gemaakt worden voor amfibieën. En poelen zijn niet alleen belangrijk als voortplantingswater voor amfibieën, poelen zorgen ook voor meer variatie in plant- en diersoorten. Poelen kunnen namelijk dienen als groeiplaats voor moeras- en waterplanten, als leefgebied voor insecten en als drinkplaats voor vogels en zoogdieren. En niet alleen de poel, maar ook het talud boven de waterlijn kan bij uitstek geschikt zijn voor bepaalde dieren zoals bijvoorbeeld insecten die hun nesten in de zonnige noordoever maken. Maatregelen ter bescherming van kikkers en andere amfibieën dragen daarom bij aan behoud en herstel van de gehele natuur. Het is goed dat daar aandacht voor is.

Bron: www.nshd.nl

Copyright © 2015 Tuinpark V.A.T.-Sloten - Vereniging Amateur Tuinders - etoro review.
Copyright © 2016 Tuinpark V.A.T.-Sloten - Vereniging Amateur Tuinders - Mascha van Kampen.